Hoe de F1-auto's voor 2026 ontwikkeld worden in de simulator

donderdag, 22 januari 2026 (07:05) - Motorsport.com

In dit artikel:

De ontwikkeling van de 2026-Formule 1-auto begint grotendeels ver weg van het asfalt: in CFD-omgevingen en rijsimulatoren. Teams leggen al maanden voordat er ook maar één bout wordt vastgedraaid of een model in de windtunnel verschijnt, de fundering voor een nieuw technisch tijdperk. Hoewel de eerste gezamenlijke test met de 2026-auto’s eind januari in Barcelona plaatsvindt, is het echte ontwerpproces veel eerder begonnen, vanaf het moment dat conceptregels beschikbaar kwamen.

Engineers gebruiken bestaande, gevalideerde modellen (meestal van de voorgaande generatie) als uitgangspunt. In de simulator wordt een 2025-model aangepast voor verwachte veranderingen zoals kortere wielbasis, lagere downforce en nieuwe aandrijfkarakteristieken. Deze virtuele baseline maakt het mogelijk om de effecten van ontwerpkeuzes en benodigde compromissen te analyseren voordat fysieke tests mogen starten: teams konden vóór januari 2025 geen aerodynamische werkzaamheden in de windtunnel doen, maar deden wel intensief virtueel voorwerk binnen de reglementaire grenzen.

Dynisma’s Head of Driving Simulation Nikhil Garrett — zelf voormalig Ferrari-ingenieur — legt uit dat uit die voorbereidende simulaties het eerste aerodynamische pakket en het eerste ophangingsconcept ontstaan. Ontwerpen worden in cycli verfijnd: simulatiedata leidt tot concepten, coureurs voeren runs uit in de simulator om ‘drivability’ en balans te beoordelen, en zodra windtunnelmodes beschikbaar zijn wordt aerodynamische data teruggespeeld naar het digitale model. Zo ontstaat een iteratieve wisselwerking tussen virtueel en fysiek testen totdat er een geoptimaliseerd ontwerp overblijft dat klaar is voor de wintertests.

De power-units volgden een nog langere voorbereiding: motorregels voor 2026 waren al in 2022 vastgelegd, waardoor fabrikanten meerdere seizoenen hebben kunnen ontwikkelen. Ook hier vormt de vorige V6-generatie het vertrekpunt; wijzigingen zoals het schrappen van de MGU‑H en een grotere elektrische bijdrage zijn in modellen doorgevoerd om prestaties en energiegedrag te voorspellen.

Belangrijkste conclusie: moderne F1-ontwikkeling leunt zwaar op nauwkeurige digitale modellen die veel onzekerheid wegnemen en ontwerptijd op het circuit reduceren. Desondanks blijft de baan de ultieme toets: kleine discrepanties tussen virtuele voorspelling en realiteit blijven bestaan, en pas met echte data valt definitief te bevestigen dat ontwerp en model overeenkomen. Zodra die bevestiging er is, dienen de verfijnde modellen weer als basis voor racevoorbereiding en afstelling, wat uiteindelijk tijd en middelen op de baan bespaart.